146
er is, want ik had veel geld in huis en oppassen is altoos de boodschap... ik doe de deur open en daar staat toch het paard onder aan de trap. Had-ie zich losgerukt bij den boer, was uit den stal gebroken en had uit zijn eigen de wagen weer teruggevonden.
Ik heb hem toen weer naar den boer teruggebracht
en die gaf mij twee kwartjes. Dat was niet veel____
maar als ’t niet om de honderd gulden geweest was, had ik het beest graag weer mee teruggenomen...” Hij blijft een oogenblik in gedachten zitten.
„En daar in Berlijn, heb je daar ook goed verdiend?" „Ik heb het daar best gehad en ik ben er drie maanden gebleven. Toen ben ik teruggegaan, want mijn vrouw was al dien tijd alleen in Holland achtergebleven. Die wou niet van* huis ...”
„O had ze dan daar een woning, een huis?”
„Neen, wij zeggen zoo huis tegen onzen wagen. Zoo’n wagen wordt een huis voor je, als je er altoos in woont en als je er in geboren bent. Mijn beste zuster heeft toen te Berlijn voor mij ook een tent ingericht, een vroolijke keuken, dat is zoo’n tent, waar je borden en schalen van derdekeurs aardewerk inbrengt en die ze dan mogen stukgooien met een bal. Elke worp kost tien pfennige, dat’s zes cent. Dat hebben ze daar voor over om uit baldadigheid den boel kapot te gooien. Mij kon ’t niet schelen — hoe meer ze braken hoe liever en ik had er een beste verdienste van en als ’t niet geweest was uit verlangen naar mijn vrouw, dan had ik er wel altoos willen blijven. Mijn zuster en mijn vrouw kunnen niet zoo goed met elkaar opschieten. Toen ik dan eens op een dag voor mijn tent stond kwam er een voorname dame voorbij. Ze was in ’t zij gekleed en ze droeg witte handschoenen. Die hoort mij zoo praten en vraagt mij of ik Hollandsch spreek. „Jawel ,dame,” zeg ik. „Ik ben lang in Holland geweest,” zegt zij, „en spreek het graag en wat heeft u daar een lief kind. Is dat uw zusje?” „Neen, dame,” zeg ik, „dat is mijn doch-