145
Ik koop op de markt in Utrecht, op’t oog, een paardje en dan kweek ik het op, tot het er goed uitziet. Ik ben altijd goed voor mijn paardjes, want een paard dat je goed behandelt, dat krijgt een goed uitzicht, het ligt hem niet alleen aan het voer, maar je moet een paard gemoedelijk behandelen. Ze komen bij me, en ik kweek ze op en ze leven met je mee, en als ik ze weer verkoop, dan hebben ze niet één dag slaag gehad, ’t Vorige jaar had ik een paardje, een best beestje, dat ik voor honderd vijftig guldens gekocht had. Dat beestje was zoo verstandig, dat een mensch er van kon leeren. Hij kende den weg beter dan wij zelf en als je eenmaal ergens geweest was en je hield stil voor een herberg of je had bij een bakker brood gehaald en hij had er wat van afgekregen, dan hield-ie, als je er al niet meer aan dacht, er den volgenden keer prompt stil en keek je aan of ie zeggen wou, daar zijn wij weer aan ’t oude adres. Nou komt het mooie. Ik verkoop dat paardje aan een boer boven Wijk bij Duurstede voor twee honderd vijftig gulden. Toen ik het geld in mijn hand had en wegging, keek het beestje mij aan of-ie zeggen wou, waarom laat je mij hier achter. En mijn vrouw zat in de wagen te huilen van ’t hartzeer, omdat we dat beest kwijt waren. Maar honderd gulden verdienste laat je niet gauw schieten.
Ik pak de dissel van de wagen en span mijn grooten hond aan en zoo trekken wij op Utrecht aan. Toen wij ’s avonds in den wagen te kooi kropen zeien wij niks tegen mekaar. Want we hadden gegeten en dan had mijn vrouw de gewoonte een stuk van dit brood aan ’t beest te brengen. Dat was zoo haar gewoonte. En dien avond wou ze ook een stuk van d’r boterham afbreken en toen ze ’t gedaan had, bleef ’t brok liggen, want ’t paard was ommers verkocht. Maar de stukken bleven mijn en haar in de keel steken.
’s Morgens in de vroegte hoor ik wat stommelen en zoo’n beetje scharrelen. Ik staan op om te zien wat
10