142
rijkste. Elkeen, die wel eens geprocedeerd heeft met groote maatschappijen, die, van een vast bezoldigden advocaat voorzien, processen tot in het oneindige kunnen rekken, weet dat bij ervaring. Het heet, dat men ook Pro Deo procedeeren kan. Maar hoe kan men vertrouwen hebben op een rechtspraak zonder betaling en een rechtspraak om Godswil, bij een rechtstelsel, dat geheel is ingericht op materialistischen grondslag en welks geestelijk kernpunt niet zetelt in God en Christus, maar in den Oud-Romeinschen Moloch „Jus”.
Aan denzelfden procureur die dubbele boeken houdt, om zich zoo noodig na een klacht van een cliënt, bij den Deken te kunnen schoonwasschen; aan denzelfden procureur, wien geen fieltenstreek te gemeen is om zijn bezit te vermeerderen, wordt het opgedragen voor niets, neen, zelfs met opoffering van tijd, papier en moeite, als advocaat menschen te verdedigen, die zonder bezit, zonder beschaving, doorgaans met slechte manieren, hem niet het geringste belang inboezemen of het minste voordeel kunnen beloven.
De kermisreiziger zag er dan ook maar van af zijn beklag te doen. Hij had tenminste den troost, zijn broer gered te hebben.
Marius had echter behoefte om te spreken. Hij vertelde mij dat hij nog nooit in de gevangenis was geweest. Ook had hij vroeger nooit een bekeuring gehad.
Ik vertel hem waarom ik gestraft ben en tracht, afgaande op zijn Belgischen tongval, zijn meening omtrent den oorlog te vernemen. Maar Marius is zeer voorzichtig en laat zich niet uit. Het is hem onverschillig wie den oorlog gemaakt heeft. Maar wat hij wel weet is, dat de woonwagenmenschen zeer door den oorlog lijden. Want vroeger werden de kermissen al meer en meer afgeschaft en nu komt de oorlog er bij en daar wordt nu gebruik van gemaakt om overal door ’t heele land de kermis te verbieden. En over de grens kunnen ze nu ook niet België in. Ze staan nu allen