141
vrijen weg en hij heeft niet als de landloopers in de gevangenis, bij al het leed van de opsluiting en de vernedering, het gevoel, van tenminste hier, binnen de vier wanden, de rust te hebben van den waakhond in zijn hok, en de daarbuiten ongekende weelde van voedsel te krijgen als men honger heeft. Hij bezit een woonwagen, een vrouw, kinderen; hij heeft een paard en een grooten trekhond. Maar er is nog iets, dat voor hem de gevangenschap onduldbaar maakt. Hij is er van overtuigd, dat hij onschuldig is opgesloten. Hij verhaalt mij, hoe niet hij, maar zijn broer, de gezochte persoon was en dat hij, om zijn broer gelegenheid te geven, te ontvluchten, zich heeft laten arresteeren. Zijn broer zou, ware hij voor deze ééne bekeuring gearresteerd, ook voor verscheidene anderen gestraft zijn en in hechtenis gehouden. Marius, aldus zal ik den kermisreiziger noemen, heeft een etmaal voor zijn inhechtenisneming een telegram gezonden, met verzoek om herziening van zijn vonnis of beter, hij heeft het laten zenden, want hij noch zijn vrouw kunnen lezen of schrijven. Als de bewaker binnenkomt legt hij dit den bewaker nogmaals uit en bezweert zijn onschuld. De bewaker antwoord hem: „dat hij zich tot de verkeerde autoriteit heeft gewend” en legt hem uit, hoe hij een papieren oorlog had moeten enscèneeren, om niet onschuldig in de gevangenis te worden opgesloten. Thans zou protest bij den Directeur en het volgen van den voorgeschreven weg alleen tengevolge hebben, dat hij vrijgesteld zou worden van straf, juist als hij zijn straf had uitgezeten. De rechtsmachine werkt nu eenmaal niet vlugger, wanneer het arme menschen betreft. Een rijk man in dezelfde omstandigheden, koopt zich even een voornaam advocaat met connectiën b.v. den zoon van een rechter en dan komt het spreekwoord uit, dat „wie goed smeert, goed rijdt.” Is er niet iets afschuwwekkends in de gedachte, dat geld en recht te allen tijde, bij onze Nederlandsche rechtspraak in direct verband staan. Het recht valt doorgaans ten deel aan den