126
schrijven, want ik ben nog te zwak en heb pas het Wilhelmina-Ziekenhuis verlaten, waar ik een behandeling met electrische baden heb ondergaan. Nog altjjd ben ik totaal ongeschikt om in mijn onderhoud te voorzien en thans doe ik moeite, om een uitkeering te krijgen, omdat mijn zoon nu niet voor mij kan zorgen. Ik ben veroordeeld geweest tot drie jaar gevangenisstraf, waarbij komt drie en een halve maand voorarrest. Mijn misdrijf was, dat ik een vrouw geholpen heb, zwangerschap te voorkomen, wat wegens de nieuwe strafwet streng wordt bestraft. Mijn echtgenoot liet zich tijdens mijn gevangenschap van mij scheiden. Ik moest mij Pro Deo laten verdedigen, daar ik geen geld had en voor mijn zoons had te zorgen.”
Mej. N. N.
Ik laat dezen brief voor wat hij is. Dat er veel te verbeteren valt, moge blijken uit het volgende bericht uit de Nieuwe Courant van 24 April 1916:
De strafgevangenis te Leiden.
„De minister van Oorlog bracht Zaterdag een bezoek aan de militaire arrestantenlokalen in het gebouw Qravestein te Leiden. Eenige dagen te voren had het Tweede Kamerlid de heer A. B. Kleerekoper die oude strafgevangenis bezocht. Onze Leidsche correspondent heeft daarin aanleiding gevonden den heer Kleerekoper nadere inlichtingen te vragen. Deze deelde daarop mede, dat door hem in den aanvang der vorige week klachten waren ontvangen, dat er bij de militairen te Leiden ernstige grieven waren tegen de lokalen, waarin zij werden opgesloten. De voornaamste daarvan was wel, dat men hier te doen had met onderaardsche gewelven, waar het zeer koud was. Door tusschenkomst van den minister van Oorlog en den garnizoenscommandant heeft daarop de heer Kleerekoper Gravestein bezocht, waar hem, overeenkomstig hetgeen hij tevoren van een militaire autoriteit had vernomen, bleek, dat