125
Amsterdam, 7 Febr. 1916.
Den Heer B. Canter.
Hooggeachte Heer!
Met groote belangstelling heb ik Uw feuilletons „Boete of hechtenis” in De Courant gelezen. Is het alleen voor mannelijke gevangenen, die tot boete of hechtenis worden veroordeeld, dat U een lans wilt breken? Of stelt U ook belang in het lot van tot gevangenisstraf veroordeelde vrouwen?
Zoo ja, ach, dan wilde ik gaarne eens met U spreken, daar ik als gediplomeerde en beëedigde vroedvrouw en Malthusianiste (dit laatste uit principe), ruimschoots kennis heb gemaakt met de schandelijke manier, waarop gevangen vrouwen worden beleedigd en getreiterd door de directrice van de gevangenis te (ik laat om niet door den jurist besprongen te worden, wanneer ik de waarheid zeg, de plaatsnaam weg, C.), waar ik, omdat ik zoo ellendig ziek en zwak was, toen ik gearresteerd werd, naar toe werd gebracht. O! als ik er nog aan denk, dan kan ik des nachts geen oog dicht doen van verontwaardiging. Tien jaren geleden ben ik er ook geweest. Telkens als ik kerngezond in de gevangenis kom, word ik door de dufheid en de vochtigheid die er heerscht, rheuma-tisch en zenuwziek. O! als ik U eens alles heb verteld, misschien hebt U dan nog meer stof tot schrijven. Den (hier volgt een datum), heeft mijn zoon, werktuigkundige van beroep, die werkzaam was in het buitenland, maar nu reeds achttien maanden gemobiliseerd is bij de genie, mij uit de gevangenis afgehaald. Treurig contrast, een korporaal der genie, haalt zijn moeder, die kerngezond in de gevangenis is gebracht er uit en schrikt als hij zijn moeder weer ziet. Hij moest mij met behulp van de bewaaksters in het rijtuig dragen. Alles kan ik U niet