124
Na onze aansporing moet men kunnen hopen, dat men ons, dichters en schrijvers, veroorloven zal, ons te wijden aan onze roeping. Deze roeping bestaat voor mij persoonlijk in het scheppen van een oorspronkelijk Nederlandsch blijspel en treurspel in verzen, waarvan ik zelf persoonlijk tijdens mijn leven, geenerlei voordeel of ander genot kan hebben dan het geluk van het scheppen zelf. De andere voordeelen zijn voor de menschen, die na mijn dood de winsten opstrijkend, zullen lachen, over den naiëven idealist, die wel zoo goed was, zijn leven met denken en werken te besteden ten voordeele van anderen. De stumpers, die visch ventten of een ijswafeltje op straat verkoopen, en dan eens een oogenblik, tegen de politieverordening in, stil blijven staan om een klantje te lokken, die de groote bestelling van anderhalve cent ijs tusschen twee wafeltjes rondom af te likken, hun wel zal willen opdragen; de brave straatzanger des volks, die een goedaardig, zedelijk liedje zingt, van gevangenis naar gevangenis sleepen en hen daar in kille kluizen als dwangarbeiders touw te laten pluizen en de vuile comediante, de walgelijke echtbreekster, ten troon te heffen en haar laag bedrijf te pronk te doen stellen en te doen herhalen op het tooneel, haar onder het hoogste beschermschap te stellen en met goud te betalen, ziedaar een tegenstelling, die rechtuit naar anarchie leidt en die op den duur zeker tengevolge moet hebben, dat den een of anderen tijd bommen zullen worden gegooid naar degenen, die het hoogste gezag vertegenwoordigden. Om dit te voorkomen, worden boeken, als dit werk geschreven. Het zijn de uiterste waarschuwingen aan de overheid, die de opengelegde misstanden ten spoedigste heeft te verbeteren, wil zij niet, dat hoog geweld in botsing komt met laag geweld.
De brief, die mij de aanklacht tegen de gevangenissen voor vrouwen in de pen geeft, luidt als volgt: