122
dan stilstonden, terwijl de politie-verordening luidde, dat men met geen kar op den openbaren weg mocht stilstaan? Waarom is tot heden de vrouw van den jurist niet opgestaan, om in het publiek het bedrijf van de juristenkaste openbaar te maken? Al deze vrouwen van de rechters en advocaten hebben toch door al de jaren heen thuis telkens de verhalen moeten hooren van wreedheid en onrecht? Niet één harer heeft ooit den moed gehad op te komen tegen de wreedheden der juristen. Het zijn juristen geweest, die Christus hebben veroordeeld; het zijn juristen geweest, die in Nederland de bloedraden hebben gevormd; het zijn juristen geweest die Rembrandt hebben failliet verklaard, en tot zijn laatsten stoel hebben verkocht. Overal en te allen tijde, waar men in Nederland een groot man ziet belaagd, omdat hij, het edele en verhevene heeft gewild, vindt men een jurist, die ter wille van vuig geld gewin, willig was den man tot het uiterste ongeluk te drijven. Van al deze juristenvrou-wen in Nederland is er tot heden niet ééne geweest, die eens een onpartijdig onderzoek in de Nederlandsche huizen van bewaring, tuchtscholen en gevangenissen voor vrouwen heeft ingesteld. Toch moeten daar de toestanden nog gruwelijker zijn, dan in die voor de mannen. De man heeft nog ten laatste zijn lichamelijke kracht, en hoe zwaar de straf daarna ook zij, hij kan een bewaarder die hem opzettelijk treitert een vuistslag toedienen en de bewakers weten daarom wel, dat zij niet te ver kunnen gaan.
De vrouwen echter zijn volkomen machteloos en wie waarborgt ons, dat de directrices dier inrichtingen geen misbruik van macht maken ten aanzien van de ongelukkige zusters, weerloos aan haar nukken en grillen overgeleverd. De man in de gevangenis kan na zijn straftijd nog door publicatie trachten verbetering te verwerven van de gruwelen die hij heeft verduurd en aanschouwd; de vrouw, die uit de gevan-