120
kermisreiziger en heeft een woonwagen. De kermissen zijn tijdens den oorlog afgeschaft of kwijnend. De woonwagen wordt door de politie als een lastig en gevaarlijk woonhuis beschouwd en zooveel mogelijk bereidt men woonwagenbezitters moeite om het aantal dier wagens niet grooter te doen worden. Hij is gearresteerd wegens verboden stallen en tot drie dagen hechtenis veroordeeld. De veroordeelde is onschuldig, want niet hij, maar zijn broeder is beboet. Zijn protest tegen zijn gevangenneming is te laat gekomen, omdat hij niet kunnende schrijven en niet bekend met al de vele noodige formaliteiten niet op de juiste plaats tegen zijn gevangenzetting heeft kunnen protesteeren. Hij is nooit te voren beboet, nooit te voren in een gevangenis geweest. Hij vertelt me van zijn vrouw, zijn twee kinderen die nu vergeefs ofn „papa” zullen huilen, hij vertelt me van zijn paardje, van zijn hond, en dat alles zacht, vriendelijk, argeloos, onopgesmukt, zooals een goed mensch met een onbedorven inborst vertelt en heel zijn rampzaligen strijd van altoos opgejaagd mensch, voel ik achter dat verhaal. Als ik hem zeg,
dat ik krantenschrijver ben, noodigt hij mij uit, hem
een bezoek te brengen in het woonwagenkamp achter het Tolhuis over het IJ, te Amsterdam, want daar staan zij wel met veertig woonwagens en allen hebben ze te klagen over de politie, die hen van gemeente naar gemeente opjaagt, over de gemeenten die de woonwagens niet toestaan binnen te trekken, waardoor de bewoners van die woonwagens, nu zij niet op fatsoenlijke wijze handel kunnen drijven, tot misdaad komen.
Hij haalt een doosje met poeders voor den dag en gebruikt er één poeder van, met zooveel voorzorg en
gewichtigheid, dat het wel lijkt of hij een gewijde
handeling verricht.
Hij vertelt mij, dat hij deze poeders van een professor te Utrecht heeft voorgeschreven gekregen, omdat hij zoo zenuwachtig is geworden, door dat altoos maar in een woonwagen opgejaagd te worden.