114
„gecoiffeerd”. Ik weet niet of de bewaarder hem behoorlijk gevraagd heeft: scheiding links of scheiding rechts. Maar zeker weet ik, dat er op de gang geen gelegenheid is voor shampooing, zelfs niet voor een friction a la violette of een wassching met dat allergeheimzinnigste reukwater, dat de kappers „végétal” noemen. Maar toen een kwartier later ’t zangertje weer in de kluis terugkwam met zijn rood haar netjes geknipt, zooals de Romeinsche veldheer Brutus het placht te dragen, was hij haast overmoedig van blijdschap.
„Dat is al weer vijf centen verdiend,” juichte hij schier. En Willem was afgunstig, schold op zijn baard, die hij niet kwijt kon raken, omdat geen barbier hem toeliet in zijn verwaarloosde kleeren, dezen baard, die nu in de gevangenis met creolin was ontsmet, maar die anders altoos door ’t ongedierte jeukte en hem ’s nachts uit den slaap hield.
Ik wist niet, dat de armoede van een mensch zoo ver kon gaan, dat hij zelfs zijn baard niet kon afgeschoren krijgen.
Wij gaan weer luchten. Ik tref op de luchtplaats mijn kameraad den ex-kellner uit de fijne sociëteit. Hij is zoo gelukkig, mij terug te zien, vraagt mij, hoe ’t gaat, troost mij, dat ik straks om twee uur warme erwtensoep zal krijgen en raadt mij aan, dan heel langzaam te eten en niet dadelijk te veel, omdat anders maagkrampen en buikloop het gevolg zijn. Want hij heeft ondervinding van gevangenishonger en gevan-genis-kost. En hij klaagt over zijn vrouw, die nu zoolang alleen is en ’t meest lijdt om hem, daar zij weet, hoe slecht hij ’t hier heeft, hij, die het zoo anders voor zich heeft gezien „in de fijne sociëteit, waar ik de eer heb gehad, de allerfijnste, de hoogfijnste heeren te ser-veeren.”
„Ik kreeg vanmorgen opeens zoo’n razenden trek in gebraden taling met appelmoes en een licht maizena-puddinkje met bessensap na... Vindt u dat niet