107
kameraad kijkt uit naar een agent en dan ga je staan zingen... en zoo leer je den werkman op straat zijn lied. Maar je kent het niet altijd van de orgels krijgen. Die kommen er dikkels mee als ’t al weer afgezaagd is.. Zoo heb ik het niet „Zandvoort aan de zee” gehad. De woorden kon ik; die had ik gekocht in een boekkie. Maar de wijs was niet te krijgen voor ons menschen. Toen hoor ik, dat er te Rotterdam in een logement een tante is, die handpiano speelt. Ik tippel eventjes , op riiijn schoenen van Den Haag naar Rotterdam en kom bij die tante en ze speelt het op een piano voor, tot ik het ken. En ik leg een gulden neer voor ’t onderricht. Maar ’t was geen weggegooid geld. Den volgenden dag was ’t Zaterdag, verkocht ik eventjes vijftig liedjes en met de centen, die ’k opgehaald had, telde ik ’s avonds twee-honderd-vijftig Nederlandsche centen uit, gelijk aan één rijksdaalder, op één dag, met mijn keelgeluid verdiend... Want ik heb een stem als een klok... Ik sta bekend als een beste zanger. Mijn ongeluk is, da ’k geen muziek geleerd heb...”
„Wil je ’t eens voor mij zingen. Misschien, als ik vrij ben, kan ik wat voor je doen...”
Hij aarzelt. Maar de anderen moedigen hem aan. Hij staat op en zingt het liedje, gedempt, opdat het niet buiten de kluis gehoord wordt.
Hij zingt de drie coupletten ten einde. En de anderen luisteren aandachtig, laten het touwpluizen rusten. Hoewel de man niet luid zingt, hoor ik dat zijn stem een krachtige, lyrische tenor is. Maar er is in zijn voordracht iets, dat mij zegt, dat deze ongelukkige een artist is, een natuur-artist, een man, die geboren zanger is en niets anders kan wezen.
Ware hij niet zoo arm geweest, ware hij opgeleid, deze zelfde man, die nu het leven leidt van een negerslaaf op de vlucht, deze man, die in zijn wezen iets schuws heeft gekregen, door die eeuwige vervolging door de agenten, die in hem immers zulk een makkelijke prooi vinden, deze ongelukkige, die het Neder-