108
landsche volk zijn liedje leert en daarvan een schamel stukje brood heeft, afgewisseld met het leven van een boef, zou als de zangers der Italiaansche Opera, bewierookt zijn. Wij hebben vereenigingen tot verbetering van den volkszang. Wij hebben zelfs beiaard-enthou-siasten. Wij hebben een Wagner-Vereeniging, die in dertig jaren tijds twee millioen gulden voor Duitsche zangers en Duitsche muziek heeft uitgegeven. Voor één enkele Wagner-opvoering met Duitsche zangers, die acht uur muziekgenot gaf, betaalde men in 1911 zestig1 duizend gulden aan honoraria en orkest.
Maar de man, die van nature begaafd, op straat het Nederlandsche volk aan een onschuldig liedje en een aardig wijsje helpt, een wijsje, dat wie weet hoeveel menschen troost, afleiding geeft na veel dor, saai werk op atelier, winkel, werkplaats, fabriek, zie, deze man, een door-en-door fatsoenlijk man, wordt als een boef, van kluis naar kluis gesleept, uitgehongerd, tot pluis-werk gedwongen, tot dwangarbeider gemaakt tegen tien cents daags voor tien uren werk daags.
Is het overdreven te spreken van barbaarsche toestanden.
„Je zult wel veel liedjes hebben leeren kennen... zoo in ’t verloop der jaren... En gaan die liedjes dan allemaal?”
„Nee, mijnheer. Dan weer wel, dan weer niet. „Het Weesje” en „Ons Hutje aan de zee” dat gaat nog altijd bij den boer op de afgelegen plaatsen. Maar voor de groote steden mot je tegenwoordig altoos wat lolligs hebben.”
„Zoo... en wat heb je daar dan wel in de laatste jaren gezongen?”
„Nou... laan’s kijken ... „Onder de paraplu” ... Maar da ’s al oud... Dan heb je „Daisy bel, de twee-persoonsfiets.”
’k Weet dat een bloem in mijn hart ontbloeit, Daisy, Daisy ...