105
„’k Ben als zettersknecht begonnen. Maar dat was me te benauwd, den heelen dag achter de zetkast staan, ’k Heb altijd een mooi keelgeluid gehad... Als jongen heb ik al gezongen. Ik mot zingen... ik ben heelemaal een stem... En ik kan niet zooals Orelio of Dumas of andere groote zangers in een zaal zingen... Nou en toen ben ik eerst stoker geworden in een koek-fabriek. Toen heb ik hommeles gekregen met een anderen stoker en ik ben uit die fabriek weggetrokken ... in het fatsoendelijke, hoor. Alles in ’t fat-soendelijke. Ik ben nooit in ’t Groote Huis geweest... Ik heb nooit gevochten of gestolen... En toen ben ik eerst kolensjouwer geweest in een steenkoolhandel, maar ik heb een dubbele breuk en dat werd te lastig. Als je die zware zakken sjouwt, gaat je breukband los of kapot en dan ben je weer voor dagen opgeknapt... Toen ben ik er maar op uit gegaan, om op straat te zingen.”
„En geeft dat een broodje?”
„Sobertjes, sobertjes. Als ’t mooi weer is of er is een gelegenheidje, dan haal ik, als ik een goed liedje heb, wel eens een gulden of vijf-en-twintig stuiver op. Maar da’s niet veel als je altijd ambulant moet zijn. Je begrijpt, je kunt niet lang in dezelfde stad blijven. Dus mot je met je vrouw in logementen huizen. Da’s veertig centen voor ons samen per nacht en dan komt er toch veertig centen bij voor eten en drinken. Da’9 tachtig centen — nou heb je nog geen schoenen, geen kleeren en geen blaadje tabak... En d’r zijn zat dagen, dat je geen cent verdient, omdat het regent. Maar ’t ergste zijn die bekeuringen. Ik heb misschien, als ik ’t bij elkaar optel, al wel twee jaar gezeten, alléén voor bekeuringen wegens zingen op den openbaren weg. En eenmaal heb ik zes weken hechtenis gehad. Toen had ik pas drie bekeuringen van drie dagen elk afgezeten en ik had er toch zoo op tegen om weer te gaan zingen.
Maar je kostbaas wil zijn centen hebben. Dus ging