103
menschen, die een boete afzitten, op dergelijke wijze lichamelijk martelt en doorgaans martelt men aldus menschen, die tot de allerarmsten behooren, zoodat zij reeds slechtdoorvoed en hongerig aankomen.
Mij is b.v. het geval bekend — voor de waarheid van de feiten sta ik in — dat te Rotterdam een man drie boeten had te voldoen, elk van vijf gulden of twee dagen hechtenis. De boeten waren opgelegd voor het als knecht in een tapperij tappen na ’t officieel vastgestelde uur.
De man liep goedsmoeds op straat naast de muziek van een troep militairen, toen een rechercheur op hem toekwam, hem beval mede te gaan naar ’t Huis van Bewaring en daar werd hij in de kluis gebracht. Voor de eerste boete moest hij twee dagen op water en brood zitten. Voor de tweede boete eveneens. Toen werd hij, na vier dagen water en brood, in vrijheid gesteld. Reeds was hij aan de poort, toen hij teruggeroepen werd. De derde boete was vergeten, maar bij het ontslag had men de boete opgeteekend gevonden. En weer moest de man naar de kluis en werd na twee dagen in vrijheid gesteld. Hij had dus zes dagen op water en brood gezeten en men had hem „de marteling der vrijheid” aangedaan, die in de Contes Cruels als de allerwreedste is beschreven. Vier dagen hoopt men op ’t uur der bevrijding; daarna wordt men bevrijd en dan weder teruggebracht, om nogmaals twee etmalen in zijn maag gestraft te worden.
Ik ken den man, wien men deze mishandeling heeft aangedaan, omdat hij de vijftien gulden boete niet kon betalen. Hij is hoogst oppassend en vervult thans de nuttige betrekking van souffleur bij een onzer groote schouwburgen. Hij is geen drinker, ijverig, nauwgezet, altoos op tijd, had voor men hem deze zes dagen pijnigde, nooit tevoren eenig delict begaan en ook na dien tijd is hij niet beboet.
Is deze straf niet gruwelijk... iemand, omdat hij als bediende, na bezetten tijd getapt heeft, terugroepen