102
was ikke, had nagelaten tot erfenis... Drinkt mij die meid den heelen avond kojak, altoos maar kojak. Ik geloof, da se voor een tientje kojak opdronk en gaan ik met d’r in een hotel, ’k Lag op dons met zijen dekens over mijn falie heen... Den volgenden morgen lag ze dood in d’r bed. Gestikt in de kojak. Ik heb d’r netjes afgelegen en laten begraven en ’k heb gezorgd het niet meer zoo fijn te beginnen ... Alles mot död ... alles mot död en daarmee is ’t uit...
Maandagmorgen.
De trage, lange nacht in de plaatijzeren slaapkooi, op ’t zindelijke, maar harde bed, is doorwaakt. Vanmorgen zal ik van „koud” naar „warm” gaan. Om zeven uur heb ik mij even vies gewasschen in het kleine zinken teiltje en daarna brengt de bewaker mij naar een kluis, vlak naast de mijne, die in niets verschilt van die, waar ik reeds zat. Maar er is ander publiek. Ik tref weder Willem, den breedgeschouderden land-looper, en Prak, de ex-koloniaal, zijn kameraad van den weg, en als derde man komt kort na mij een man van in de dertig jaar, in gevangeniskleeding, in de kluis.
„Da’s een verandering, kameraad,” zegt Willem. „Nou krijg je ten minste wat warms. Let maar op.”
Om acht uur gaat de klep in de deur open. Voor ons elk wordt het „paaltje”, de gewone drie sneden maïsbrood toegestoken en als wij onze kroes buiten de klep steken, giet men deze vol met warm water, waarin een scheutje melk is gegeten.
Het is weinig. Het is ook volstrekt onvoldoende als voedsel of als genotmiddel. Maar ik heb sedert Vrijdagmiddag twaalf uur niets anders te nuttigen gekregen dan droog maïsbrood en koud water. Nu lijkt mij, daar ik rillerig en koortsig ben, het warme water een lekkernij. Het is volstrekt niet zeldzaam, dat men