99
„Dat moet schouw zijn geweest... een jaar in ’t Qroote Huis.”
„’t Is er beter dan hier. Je zit niet te verkillen en je hebt er werk. ’k Was er bij het kleermaken en ’t wou wel lukken. De eerste maanden, dat was ’t ergste... maar toen ik over de zes maanden heen was, ben ik er doorgekomme ...”
„Was ’t niet moeielijk om weer an den slag te komen, toen je er uit kwam?”
„Ik ben zeeman... Ik ben stoker... op een groot schip, dat naar Indië vaart...”
„’k Dacht, dat ze daar inlanders of Chineezen voor namen.”
„Die houwen ’t niet uit. Ze kunnen d’r alleen blanken voor gebruiken. Als je in de Rooie Zee komt, dan kunnen ze alleen blanken gebruiken. Chineezen en inlanders zijn te zwak. Die vallen als vliegen voor de vuren neer...”
De oude boer begint van zijn Indische dienstjaren te vertellen. Als-ie beter lezen en schrijven had geleerd, zou hij het tot sergeant hebben gebracht. Want hij is nooit bang geweest. „Död is dod”, heeft-ie maar altoos gedacht. „En als je met een veldflesch klare de pijp uitgaat, kè je ’m boven nog uitdrinken... Hipper de pipperse bessie,
Drink er is uit me flessie,
Mijn flessie is van leer om leer,
En Bessie lust altoos nog meer...
De oude boer heeft het liedje met lange galmen gezongen. De anderen hebben toegehoord en hun gezichten toonen, dat zij hem bewonderen.
„Nou za ’k jelui is een orseneele voordracht houwen. En hij gaat voor mij staan en begint:
De duvel mag je bewaren,
Wat heit een vrouw haren,
Honderdduizend op d’r kop,
Teugens een man zijn kale kop,
Mijn wief heit mijn geslagen,