98
schreden worden wij weder naar de kluis gevoerd. Een fluitje van den bewaker beneden waarschuwt den bewaker boven, die een oog op ons drietal houdt.
Als ik in de kluis kom is er een nieuwe bezoeker, een breedgeschouderde, lange, jongeman, met een norschen kop en donkere, dreigende oogen.
„Dag kameraad, kom je op de koffie?” vraag ik hem vroolijk.
Hij waardigt zich niet mij te antwoorden, loopt op-neer, op-neer te beren, als een wild dier, dat opgesloten is.
„Koffie,” zegt de oude boer, „die krijg je niet, maat. Morgenochtend voor het eerst een kroes warm water met een scheutje melk er in. Daar ken je je „paaltje” dan in soppen.”
„Paaltje?” vraag ik aan den nieuwen man.
„Ben jij zoo groen?”
„’k Zit voor ’t eerst.”
„Zoo — da kan ’k je niet nazeggen...”
„Wat is een paaltje?”
„Dat noemen wij hier je drie sneden brood.”
„Ik dacht, dat paaltje een galg was en dan zou ik wel weten, wie ik daar te bengelen an hing.”
Hij lacht, de norsche, met de anderen mede. „II rit, le voila désarmé,” denk ik.
„Principaal?” vraag ik den norsche.
„Nee... drie dagen voor zuipen en vechten.”
„Da’s zoo om.”
„Mijn is het al drie dagen te veel.”
„Da’s een goeie...”
„Dan is ’t in ’t Groote Huis anders.”
„Ben je in ’t Groote Huis geweest?” vraag ik bewonderend. (Het „Groote Huis” is de strafgevangenis, die grenst aan ’t „Huis van Bewaring”).
„Ja... ik heb er een jaar afgezeten. Voor een vechtpartij. Wij waren bezopen en het kwam op ’t messen-steken an... toen heb ik een beetje te driftig toegestoken ... En ik kreeg een jaar.”