97
„Dan zou ik er maar met dat stroopen uitscheien.” „Nooit. De hazen en konijnen binnen d’r voor een elkeen. Ze hebben geen brieffie an d’r kop as ze op de wereld komme, van wie ze hooren.”
„Waarom neem je dan geen jacht-acte?”
„Daar heb ik heel wat moeite voor gedaan. Maar ze geven het mij niet. ’k Sta in ’t verdom-boekje, omdat ik al zooveel bekeuringen voor ’t stroopen heb.” vDoe je ’t alleen om de centen ...”
„Dat mag ik niet zeggen... d’r komt ook pleizier bij... da komt d’r zeker bij. Ik hou d’r van... van ze achter d’r pluim te zitten... en als ik schiet, mis ik nooit... As ik drie kogels verschoten heb, op wat het is, grondwild of luchtwild, ’t mag een sperwer zijn of een wilde eend, als ik schiet, dan heb ik de knaap ook...”
En hij loopt weer norsch en hoogmoedig op-en-neer, de strooper, die altoos raakt en die morgen, als hij tegen den vijand van Nederland zou moeten optrekken, zijn plicht zou weten te doen.
Deze man is schuldig voor de wet. Maar hij is onschuldig naar het wezen. Dit is een rasjager, een man, in wien ’t oude kaninefaten-instinct nog voortleeft. Water en droog brood, kluisstraf en boeten zullen hem niet verbeteren. Zulke sterke instincten weerstaan straf. Hoogstens bereikt men, dat hij te een of anderen tijd zich verzet en een koddebeier of jachtopziener het nooit missende schot toezendt, dat voor een duinkonijn of een wilde eend bestemd was. Men geve zoo een raskerel een jachtacte, óók al heeft hij te voren strooperij gepleegd. Als de geheele wildstand, als alle konijnen uit de duinen weggeschoten zijn, is het ook meteen met de strooperij uit. Beter de konijnen weg, dan dat men menschen in de verleiding brengt tot moordenaars te worden.
Het kwartiertje luchten is voorbij. Met langzame
7