96
worpen man van den eersten dag, de vuur-en-bank-werker. Maar er zijn twee nieuwe mannen. Eén met een scherp, stekend oog, een adelaarsneus en een neerhangende blonde snor, een ras-type van den Nederlander. Hij loopt trotsch en verbeten, op-neer, op-neer, zooals een kapitein op een scheepsdek. Hij interesseert mij en op hem toetredend, zeg ik vragend: „Principaal?”
„Nee ... vijftien gulden of zes dagen ...”
„Ik vijftig gulden of tien...”
„Da’s een rèk...”
„Ze kunnen de moord st.....”
Én na dit hartige woord loop ik ook eenige malen op de meest uittartende wijze op-neer, op-neer. Toen weer tot hem:
„Waarom hebben ze jou geknipt?”
„Voor ’t stroopen...”
„Stom om je te laten pakken,” zeg ik bestraffend. „Dat kè je makkelijk hier zeggen... Maar ’t is mijn eerste bekeuring niet... ’k Heb er al wel tien bekeuringen voor gehad... Telkens betaald... Maar nou had ik het niet...”
„Je mot je niet laten pakken als je een goeie strooper ben.”
„’k Heb ook zat keeren mijn daggeld gehaald zonder dat ze mij kregen... Ik heb een groot huishouden, en als je een paar konijnen mept, heb je al gauw een paar gulden...”
„Strik je?”
„Ik doe ^an alles. Schieten ook... ’k Had een geweer dat i^in drie stukken kon uitdraaien. Dat stak ik dan in mijn binnenborstzakken en je kon niks aan me merken. Nou hebben ze ’t op den kop getikt, ’k Gooide ’t nog na ’t schot weg, maar de politiehond vond het. Strikken doe ik ook, en als ik kan, gaan ik er met de lichtbak op los. Maar ik heb nou zes dagen. Vandaag, den tweeden dag koud. ’t Is een marteling... en zes dagen geen verdienste ...”