Q5
de doodstraf ijvert, ondanks het uitdrukkelijk verbod: „Gij zult niet dooden,” zou met die statistiek in de hand zooveel pret hebben over de christelijke beschaving in Nederland, dat hij subiet een pleizierreis ging maken naar Duitschland — zijn eigenlijk vaderland.
In den langzamen, sleependen sjokpas ben ik weer met de kameraden de drie étages van den zoel-zoetig stinkenden hal opgeklommen en in den steenen kluis opgesloten.
Willem, die Katholiek is, begint te vertellen van zijn opvattingen van den bijbel. Hij vertelt heel ernstig, dat Christus, naar hij in een boek heeft gelezen, den Romeinschen keizer heeft willen verdringen om zelf keizer te worden. Toen is hij met behulp van Joodsche soldaten tegen de Romeinsche troepen opgetrokken, maar de Romeinsche soldaten werden beter betaald en gevoed en hebben het van de troepen van Christus gewonnen en toen hebben ze Christus als opstandeling gekruisigd. Later hebben ze er maar wat van gemaakt. En Maria, dat was een kind van een hofdame van koning David.”
„Da kèn,” zegt de oude boer. „Want David hèt genoeg vrouwen gehad.”
Willem geniet van zijn theologische les en zijn bekeerling. Maar de oude boer is toch minder volkomen bekeerd dan Willem wel hoopte.
„Ik geloof aan niks. Dod is död... Ik heb er te veel de pijp uitgejaagd en de pijp zien uitgaan... Er zijn in den Ost wel kameraden in mijn armen gestorven. Dan zeg je niet veel. Da bin je met al je drokte een wurm... D’r is niks hoor — als je in je kist ligt is ’t meteen uit ook...”
Wij worden door den bewaker gehaald om te luchten. En weer gaan wij sjok, sjok de trappen af en komen beneden op de luchtplaats, waar ik oude kameraden aantref... den ex-kellner uit de fijne sociëteit, de boerenjongen van de eende-eieren, de lange, magere, onder-