i87
Christus in gezegd, dat de Harmonische mensch-heid niet meer dienen kon. In Christus konden de Harmonischen wel het Lam Gods zien, naar zijn onschuld en liefelijkheid, zoo hij ook van zich zelf getuigde, dat hij alles van den mensch in zich had, maar niet het Lam Gods, dat geofferd wordt. Zij konden niet meer gelooven in een God, den Vader, die zijn zoon offert voor de menschheid. Abraham had het offeren van zijn kind niet behoeven te volbrengen. Wat dan aan Abraham zou kwijtgescholden zijn, ter wille van de menschelijkheid, zou dat God aan zichzelf niet hebben onthouden ter wille van de Goddelijkheids* Was Izak meer dan Christus?1 En zoomin als men vrede had met het offeren van een ram door Abraham, zoo min had men vrede met het offeren van het lam Christus. Zij konden geen vrede hebben met uitdrukkingen als in Joh: 6:53—57, luidende: „Tenzij dan dat gij het vleesch van den Zoon des menschen eet en zijn bloed drinkt, zoo hebt gij geen leven in uzelve. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven en ik zal hem opwekken ten uitersten dage; want mijn vleesch is waarlijk spijs en mijn bloed is waarlijk drank. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die blijft in mij en ik in hem. Gelijkerwijs mij de levende Vader gezonden heeft en ik leef door den Vader, alzoo die mij eet, dezelve zal leven door mij."
Deze kannibalen-beeldspraak kon niet meer dienen