XXIII.
Nooit hadden de Harmonischen aan de verhevenheid van Christus en Zijn leer getwijfeld. Hoewel vele geslachten vermeden hadden over de leerstellingen zelve met elkaar te spreken, men elkaar verstaan had door den stillen blik alleen en in en achter dien blik wist den levenden Jezus Christus, zonder Wien geen goeds, schoons of redelijks ter wereld mogelijk is en in Wien de menschheid gered is en eens verlost zal worden, kwam men nu met het oog op het heil der volgende geslachten, er toe, te trachten uit het Nieuwe Testament den nieuwen Christus te doen verrijzen.
Want men besefte, dat dit Nieuwe Testament, opgeschreven door menschen, die zelf in barbaarsche tijden leefden en kinderen van hun tijd en hun voorvaderen waren, niet voor de eeuwen onveranderd dienen kon. Zoo goed als er heel veel omtrent Christus niet in was gezegd of uitgezegd, volgens Joh. 21:25 luidende: „En daar zijn nog vele andere dingen, die Jezus gedaan heeft, welke zoo ze elk bijzonder geschreven werden, ik achte dat ook de wereld zelve de geschreven boeken niet Zoude bevatten," zoo goed was er veel omtrent