i88
in het Rij k der Harmonischen, waar sedert vele geslachten geen andere dranken bekend waren dan water, oliën en vruchtensappen. Ook was het vleesch niet meer zoo zwak, verdoemd en de stinkende oorzaak van velerlei zonden bij de Harmonischen. Want het onderscheid tusschen het vleesch en de ziel was veel verminderd nu het vleesch des menschen, reiner en zuiverder was geworden, niet meer opgebouwd uit dierlijk vleesch en dierlijke zuivel, maar uit geurende planten en vruchten, zoodat als de kinderen buiten speelden, de vlinders zich op hun handen zetten, aangetrokken door de bloemengeur van hun rein vleesch. Zelfs de faecaliën hadden niet meer dien verpestenden stank, uit het vleesch-etende tijdperk, waarin zij meer op die van den leeuw of den tijger geleken hadden, dan op die van-het schaap. Ja, zelfs de gestorven lichamen van de Harmonischen hadden niet den afschuwelijken reuk van de ontbindende lijken van de menschen uit het vleescheters-tijdperk. Zij geleken op appels, die tot rotting o vergingen. Men ervoer, dat de wormsoort die vroeger elk lijk hadden verteerd, uitstierf, daar hij niet tot ontwikkeling kon komen in niet met dierlijke stoffen gevoede lichamen.
Men begon de woorden van de discipelen uit Joh. 6:60 te begrijpen, zeggende: „Deze rede is hard, wie kan hetzelve hooren!” En het antwoord, dat Christus zou gegeven hebben volgens Joh 6:63: „De geest is het, die levend maakt, het vleesch is