169
met liefde en zorgzaamheid tot hoogere kracht wordt opgekweekt, opdat het ten laatste gelijk kon worden aan de gemiddelden. Men hield niet bij de Harmonischen van uitstekendheid en buitengewone kracht of genie, wel wetende, dat dit een verstoring der harmonie is, welke er toe leidt, dat of de sterke individueel de zwakkeren gaat beheer-schen en onderdrukken of dat de zwakkeren com-muneel de weinige sterken verdrukken. Daar dus de prikkel tot buitengewoonheid in 't een of ander opzicht ontbrak, niet iedere vader en iedere moeder den wensch koesterde, dat juist hun kind of kinderen boven de anderen zouden uitsteken, stierf de bovenmatige begaafdheid uit, zooals de ongewone zwakheid en de achterlijkheid, uitstierven. Men kende geen misdadigers-verachting, maar ook geen helden-vereering. Wie den held kweekt en eert moet zich niet beklagen, dat zijn tegenstelling, de misdadiger, hem op den voet volgt. Want daar het laf is, den held te kweeken en te eeren, zal noodzakelijkerwijze het werk van den held, altijd door het werk van den lafaard worden geëxploiteerd en vernietigd. En een der axioma's luidde, dat de ware held, die held is, die heldhaftig genoeg is om onbekend te sterven. Zoo dan werden heldendaden niet geroemd, zoodra de bedrijver van die heldendaden zich bekend had gemaakt of bekend was geworden. Uit dezelfde oorzaken waren alle kunstwerken ongeteekend en zorgden de makers er