voor, zooveel mogelijk onbekend te blijven.
Het vermijden van wedijver voorkwam alle sport, doellooze verspilling van lichaamskracht en energie maar verhief het spel, oefenschool voor het leven, tot een hoogeren trap van ontwikkeling. De knapen leerden vroeg wandelen, zwemmen, gezamenlijk boodschappen naar afgelegen plaatsen overbrengen, houthakken, houtzagen, houtdragen, boomen verzorgen. De meisjes wandelen, zwemmen en verrichten velerlei lichte, aangename bezigheden op het land. Zoo had men genoeg lichaamsoefening in de openlucht, zoodat deze niet door doellooze, kunstmatige sport behoefde aangevuld te worden. Het zingen in de koren en het optreden in de openluchtspelen, gaven buitendien gelegenheid tot harmonische oefening van lichaam en geest.
Eén spel werd echter bijzonder gaarne bedreven — de vaardigheid van het balwerpen in velerlei vormen. Men had ervaren, dat jongleeren met mate beoefend, op lichaam en geest een goeden invloed uitoefende. De jeugd leerde er vaardigheid, handigheid en rhythmisch zich bewegen door. Ook speelde men met elastische, kleine, leeren ballen. Maar altijd werden de balspelen met de hand gespeeld. Het gebruik van den voet, oefenend in het schoppen, werd grof en zedeloos aangevoeld, daar de bal door den voet geschopt, te groot en te zwaar moet zijn, en daarom gevaarlijk is voor dengeen,die den bal in ontvangst moet nemen. Men had dus