i68
Zoolang de nieuwe nederzettingen nog niet op eigen krachten konden teren, werden hun door de andere nederzettingen voorraden gezonden. Dit geschiedde zonder eenige overeenkomst, zooals een goede moeder een geliefde dochter zou steunen van haar overvloed.
De steden werden met den grond gelijk gemaakt. Er waren geen steden en geen groote dorpen in het Harmonische Rijk. Men wist te goed, hoe alle samenscholing gevolg was van angst en een poging om angst te weerstaan door angst in te boezemen. Er waren geen bestuurshoofden, van welken aard ook. De vader was mannelijk, de moeder vrouwelijk hoofd van het gezin. De gezinnen waren elkander onderling niet vijandig en niets werd meer tegengegaan dan met elkaar wedijveren. Alleen voor de grootere zielskracht had men eerbied, maar grootere zielskracht manifesteert zich nooit anders dan door anderen te bezielen. Alle andere uitmuntendheid, die van den geest, het vernuft, het lichaam, rangschikte zich in dienende liefde in stede van wedijverend te overtreffen en zoo de zwakkere te verdringen, verbluffen of tot bewondering te dwingen. Men had ervaren, dat alle wedijver het rhythme van de ziel stoort, persoonlijk en gemeenschappelijk en een vorm van dierlijke moordzucht is. Niet als in de maatschappij der hongerende wolven, waar de sterksten, de zwaksten verslinden, wenschte men te leven, maar in een maatschappij waar het zwakke