167
levendig. Het was een gestadige en doelbewuste oefening in het samenwerken, de basis van het samen-leven of de samenleving. Er waren geen opzichters, want men had ervaren dat alle toezicht en bevel bij den arbeid, in den toezichthoudende en bevelvoerende gevoelens van wellust opwekten. Evenmin werden dieren gebruikt, paarden noch ezels, ossen noch honden. Want men had ervaren, dat wie het dier in zijn dienst gebruikt, slechte instincten krijgt en dat de menschelijke ziel bezoedeld wordt door het nauwe, gestadige contact met de dierlijke ziel. Er werden nooit rechte kanalen gegraven noch rechte wegen aangelegd. Want men wist dat zij, gesproten uit het haasten, de ziel gejaagd maakten en aldus den mensch ontaardden. Zooveel mogelijk werden de natuurlijke rivieren gevolgd, de wegen in rhythmische krommingen aangelegd. Ook daar, waar dijken noodig waren, werden die dijken zoo aangelegd, dat zij in harmonie waren met de neiging van het water. Want men voelde, dat het water, van zee of stroom niet zonder psychische oorzaken, hier land wenschte te verzwelgen en daar land wenschte aan te zetten. Men eerbiedigde „De Wil" ook waar Hij zich in het watergeweld uitte. Na eenige geslachten bleek, dat deze eerbied beloond werd, omdat vloeden en over-overstroomingen uitbleven, nu het water naar „De Wil" zich kon uitbreiden. De zee wierp ongekend hooge duinen op om zichzelf te betoomen.