i59
de kamer van de geur van de bloesems van buiten en de geur van de vruchten vervuld. Niet zooals bij de kannibalistische maaltijden van voor 1950 hing er een zware stank van gebraden, gekookte en gezoden dieren, mayonnaisen, sauzen en vetten noch van verhitte menschenlichamen, die de stanken uitwasemden van de verzwolgen, in hun ingewanden nu tot ontbinding overgaande dierenlichamen. Men zong hymnen, met soli en koren, ook vroolijke zangen en soms zongen de kinderen kinderdeuntjes en liedjes met hun en haar hooge stemmen. Een enkele maal zong de vader een korte aria met zijn zware basstem en allen zwegen eerbiedig toeluisterend.
,„Is dat hun muziek?* Of hebben zij ook andere muziek?"'
„Zij hebben ook andere muziek — maar die onderscheidt zich alleen van welke gij nu hoort, Horatio, doordat dan grootere koren gevormd worden van de schoonste stemmen. De „Harmo-nischen" hebben langzamerhand de instrumentale muziek en alle muziek zonder tekst van schoone, gedachtenrijke woorden, afgeschaft. De muziek van voor 1950, welke men ten laatste zelfs automatisch voortbracht op orgels, orchestrions en grammo-phonen heeft men reeds vóór het einde van de 20ste eeuw, toen de Harmonischen langzamerhand uit de menschheid zich verhieven, leeren veroordeelen. De muziek, de gave den mensch gegeven om de