140
gij mij als een collega wilt zijn, dan o zeg mij collegialiter, ben ik hier zeer nabij de stad, waar alléén mijn hart wil kloppens"'
„Geliefde, het bedroeft mij het u te zeggen. Maar deze uitgestrektheid voor u is de stad Leiden...."
„Wat meent gij?"'
„Het is te Leiden, daar waar de Zuivere Rede eens hoogtij vierde, zich te buiten ging in de orgiën en bacchanalen der Dionysische syllogismen, so-phistiek en soloecismen, dat men het eerst de regeneratie van het menschdom begon ter hand te nemen."
„Ik wist het, dat mijn stad haar traditie getrouw zou blijven en er geen wijsheid of wetenschap ter wereld kon gedijen, welke niet te voren binnen hare wallen had groen geloopen! Maar waarom zie ik geen steden, geen kerktorens, geen menschen-centra... Waarom niets dan liefelijke landhuizen en ontelbare bloeiende boomgaarden, moestuinen en molens?"'
„Ziet gij niet meer.... ginds...."
„Wel.... dat is het Westland.... maar zonder de kassen. En hoeveel menschen zijn daar werkzaam. Eumenia.... welk een schoon geslacht. De vrouwen liefelijk in hare landsdracht met de kanten mutsen.... de mannen stoer en breed in hun blauwe boezeroenen.... Zijn zij dan allen boom- en groentekweekers geworden?"'
„Allen.... mannen en vrouwen. En zij zijn nog