XVII.
Ontwakend uit een nieuwe bewusteloosheid, ontwaarde prof. Leyden, Eumenia dadelijk naast zich en hij voelde zich in een kleursfeer, welke hij vaag als helder groen met diepe, Berlijnsch blauwe, schaduwen aanvoelde.
En voor hem spande zich het verschiet van een ver, vlak land, met veel boomgaarden, vriendelijke huizen en windmolens.
„Is dat niet Zuid-Hollands"' vroeg twijfelend de professor aan Eumenia, want hij trachtte te vergeefs de torens van steden te ontdekken en zijn beminde sleutelstad, burcht en veste van wetenschap en wijsheid te begroeten, zooals zij zich in de toekomst zou ontwikkelen.
„Dat is Zuid-Holland, mijn vriend."
„En waar is mijn LugdunumS"'
„Verlangt gij daar nog altijd zoo naars"'
„Mijn collega's zullen....''
„Altijd die collega's. Ben ik u dan niet méér dan een hunner. Hebben zij u ooit getoond, wat ik u toondeS"'
„Zoo gij, Eumenia mij waarlijk nog meer wilt zijn dan levensvriendin, geleidster en geliefde, zoo