133
trachten tot haar op te stijgen, zou in de ijle ruimte doelloos blijven zweven. Zoo dan had zij voortaan kuisch geleefd en zij kon nu ingaan tot hoogeren bestaansvorm zonder een verleden, als dat van de aarde.
De aarde had de twee wonden, haar geslagen door het uittreden der maan, met water aangevuld en twee wereld-oceanen ontstonden op de plaatsen, waar eens de maan had gerust. Naar heur oude wreede aarde-wet, waren die twee oceanen weder vervuld van leven en geen gruwelijker smart was denkbaar dan die van de op en van elkaar levende wezens in de oceanen, elkaar levend opetend en altijd de sterke en gruwelijke, de zwakke en zachtere, vredelievende belagend en levend verslindend.
Onder alle planeten, die tot hoogere levensfeer wenschten in te gaan, was er geen met een zoo afgrijselijk verleden als de aarde. Zij kwam en in een lange stoet volgde haar heur levensverschijnselen, eerst de oerstof, dan de langzame ontwikkeling uit den chaos.... de voorhistorische monsters, de historische dieren en dan eindelijk de mensch....
En midden in dien stoet was een groote afscheiding. Vooraan het tweede of christelijke deel, schreed Jezus van Nazareth, met de doornenkroon om het hoofd, gebukt onder het kruis, met doorstoken handen, doorstoken voeten, gegeeselden rug en de lanssteek in de hartstreek....
Dat was de God-Koning der aarde.... en achter hem kwam de menschheid, die Hij had willen redden