132
welke zich van de lage aarde had afgescheiden en haar voor goed den rug had toegedraaid, ironisch dien rug als een gelaat toonend. Dat was nog eens een hooge en waardige houding in het heelal, geen leven te gedoogen als men geen hooger leven onderhouden kan. Men voelde medelijden met de zon, die nog in haar oer-toestand was, in de toekomst zou afkoelen en dan aan leven het aanschijn geven, dat juist als op aarde, een ontzaggelijk lijden zonder einddoel zou zijn. En de vrouwelijke intelligentie-wezens hadden een groot treurspel in verzen, dat de kinderen reeds op school leerden en het fundament voor hun levenshouding vormde. Het heette „De optocht der werelden". Juist had er een opvoering van plaats. Er werd in geschilderd, hoe de verschillende werelden aan het eind van het bestaan van het heelal en van de Godheid van dat heelal, optrekken naar een hoogere orde en een hoogere Godheid. Van alle planeten werd de geschiedenis bezongen. Ten laatste kwam eerst de blanke, bevrozen maan. Zij zeide, hoe zij, walgend van het stelsel der aarde planeet, waar geen leven mogelijk was geweest zonder het offeren van ander leven, zich op een dag in oppersten afkeer en smart, ontrukt had aan de aarde en opgestegen was zoo hoog, dat zij ver buiten het bereik van de aarde en haar sfeer was geraakt, Zoodat zij ook ver buiten de dampkring bleef en de warme, stinkende uitwasemingen. Niets van de aarde zou haar voortaan kunnen beroeren en wat zou