denken om als inzet voor het spel te dienen. Er was van alles overvloed voor ieder — maar niemand stelde belang in bezit. Waartoe!' Men was weg van de aarde, voor men er zich thuis voelde. Niemand had liefde voor zijn nageslacht. Als er een vrouw moest bevallen, was het moeielijk om andere vrouwen te vinden om haar te helpen en bij te staan. De monsters van intelligentie, die alles al schenen te weten voor zij het geleerd hadden en twaalf jaren oud al de moeielijkste wiskunstige problemen oplosten zooals zij eens, vele eeuwen vroeger, spelender wijze op de piano musiceerend, diezelfde problemen hadden opgelost in den vorm van klanken, óók zonder dat het haar moeite kostte — de vrouw was toen muzikaal aangelegd zooals men nu hier, Horatio, mathematisch is aangelegd, de monsters van intelligentie, welke de vrouwen waren geworden, hadden een afschrik van het baren. Zij noemden het een vernedering van het menschelijk geslacht, vonden het vies en zagen in de placenta het symbool van de geboorte. Het was den mensch onwaardig, gelijk de hond ter wereld te komen en als de wereld bewoond moest zijn, waarvoor geen enkele geldige reden door het intellect was te vinden, dan moest zij maar door ratten en wolven bewoond worden. De aard van die dieren paste in het stelsel van „moeder'" aarde. Men verachtte de aarde als een verdoemde planeet, de armzalige plebejer onder de hemellichamen. Men bewonderde de steriele maan, de trotsche,