130
aan de mildere klimaten, liet de gematigde en koudere luchtstreken, waar men zwaar had te arbeiden om het leven te behouden en te veraangenamen, geheel over aan de wolven en de ratten, kleedde zich slechts met een primitief schootsvel of met een lendendoek en men zag geen oude menschen meer. Wie veertig jaar oud werd, had een ongewoon hoogen leeftijd bereikt. Meestal werd men niet ouder dan dertig jaar en was dan verheugd, heen te mogen gaan en van zijn verveling verlost te worden.
Want zie, deze menschen welke gij daar voor u ziet leven, waren geen primitieve wilden, maar zij waren door de intelligentie, door de hersenont-wikkeling, welke geen gelijken tred had gehouden met de zielsontwikkeling, als loten die te snel en te ijl omhoog geschoten zijn, slap en voos geworden. De vrouwen, die haar brein hadden ontwikkeld, ten koste van haar ziel, haar gemoed, haar hart en haar vrouwelijke lichaamsfuncties, waren een soort intelligentie-monsters geworden, die alles dadelijk met haar verstand begrepen, omvatten, doorzagen, indeelden en het vervolgens als nietswaardig ter zijde wierpen. Zij hadden haar intuïtie en haar instincten zoo goed als verloren, tot rudimentaire en onbruikbare hoedanigheden vervormd en de mannen, ontaard, verslapt, verzwakt en verluierd, vonden ten laatste zelfs geen afleiding meer in het spel — zoolang hun middel om den tijd te dooden, daar zij niets wenschenswaardigs meer konden uit-