186
Stil, zachtjes ademend, lag hy te luisteren naar het
brieschen en het graven____Ja.... het gat moest dieper
worden.... want hij hoorde den woelenden hoef steeds,
steeds duidelijker en het brieschen nu al heel dichtby----
Nu kön hij zich niet langer weerhouden en zachtjes floot hij sissend tusschen de tanden, zooals hij dat deed, wanneer hij zyn paard tot zich riep. Even was 't doodstil. Nogmaals
floot Sogol----toen hoorde hy een klagelijk gehinnik....
Ja.... dat was Hadoe, zijn trouwe hengst____Nogmaals
floot hy .... twee, driemaal achtereen----De hoef begon
weder te woelen---- En nu kwam opeens een blauw
straaltje licht naar binnen, dat een klein licht plekje sloeg onder tegen den zijwand ver van Sogol. Even moest hy
zyn oogen wennen aan dat licht----en tot zijn ontzetting
zag hij nu, dat het scheen op het gelaat van een ander mensch, een die nog toe in verdooving lag of doed was.
Zachtjes floot hij weder. Het gat werd grooter, nog grooter.... en daar kwam het blauwe daglicht binnen. Het was Sogol of het door dat gat, links van hem, zachtjes binnengegoten werd, als water uit een drinkkan. En snel flitste de gedachte door zijn hoofd of het licht misschien ook een soort water was, dat uit de zon over de aarde werd uitgegoten. Maar de gedachte hield hem niet langer bezig op dit oogenblik. Vrij wilde hij zyn, weer loopen langs de wegen onder het hooge, blauwe koepeldak en rondom gebaad in de winden, streelend om zijn naakt lichaam.
O, indien hij zich maar naar het gat had kunnen sleepen, vanwaar het blauwe licht binnenstroomde en scheen in het holle gewelf zyner gevangenis uit te vloeien, verschaduwend in de hoeken alsof het nog geen kracht genoeg had om zooveel duister weg te dringen.
Nu dorst hy te roepen. Het licht gaf hem geestkrachten vertrouwen en moed.
„Kom dan Hadoe.... kom dan zoet beest.... zoek