108
slaags geweest om ’t bezit van die vette Batouw, maar de
Batouwer was geen haas en geen eekhoorn____de Batouwer
was als zijn vee----harde koppen hadden ze met scherpe
horens en wie er tegen aanliep, werd opgespitst----
Maar geheel gerust was hij nooit. Want de Frisen bleven de Frisen, óók koppige kaerels met harde hoofden en niet
bang uitgevallen____hij had ze zien vechten in zijn jeugd,
toen de Chauken kwamen opdringen omdat zij te veel mannen hadden en in hun landen gebrek kwam. Grendelde-bliksem, wat was dat mooi werk geweest van de Frisen. In een zwerm kwamen de Chauken opzetten, met wel duizend wagens en peerden en hun vrouwen en kinderen,
kinderen, kinderen____als de mieren zooveel. En vooraan
de kaerels met hun slingers en hun werplansen en hun
celten____ niet groot van stuk maar zooveel, zooveel, dat
’t land er zwart van was, zooveel. En toen de Frisen, met kleine sakken van vijftig, Grendeldebliksem, met de aakst in de vuist, die op de horde in, met een vaart als vluchtende herten en toen, als een aakst in een blok, zoo spleten de saksvoerders in de horde van de Chauken en toen spreidden zy zich er in uiteen en de aaksten gingen maar al op-neer, op-neer, van boven neer op de koppen, tot de Chauken de honden loslieten. Grendeldebliksem, dat was een gezicht, die groote, gore beesten met blanke tanden en open muilen op de Frisen in. Maar de Frisen bleven slaan met de aaksten, altoos maar op-neer, op-neer, ook op de koppen van de honden en altoos maar weer de kleine saksen met nieuw volk aanvullende, tot de Chauken begonnen te wijken en gevlucht waren, de vrouwen en de kinderen bij de wagens achterlatend.
En toen had hij ze gezien de Frisen, opdringend naar de wagens, waar de waakhonden opnieuw op hen kwamen aan gevlogen, opgehitst door de wijven. Zij hadden rondom ’t wagenpark rijshout aangedragen en toen de vlam er in gestoken---- Gegild hadden de wijven en geschreid de