166
kinderen boven dien gloeienden ring uit en gehuild en gejankt en dof klagend gebast hadden de honden..,. Maar wie er uit kwam, was teruggeslagen door de Frisen, die tot blake-rens toe om den vuurring stonden....
Toen 't vuur gedoofd was, had Sigbert gezien waar de verbrande lijken lagen van de vrouwen en de kinderen en
de honden____Met zijn grootvader was hij er langs geloopen,
hij was nog een knaap geweest, maar hij had ’t gruwelijke
te dieper gevoeld____omdat daar zooveel knapen en oude
mannen lagen, met vertrokken gezichten, zwartberookt of bloederig bruin gebrand en de armen stijf opgestoken met de vuist verkoold omhoog----
Qrendeldebliksem----wee wanneer de Fries de Batouw
zou binnenvallen---- Ja, du kan dijn man staan en di
verweren, maar toch, neergeslagen zouden er velen worden____
En diep-in begon hij spijt te gevoelen over de rooftocht en te bidden tot Wotan.... „Groote Wot, spaar ons voor
den oorlog____ drie vaarzen zal ik di offeren.... drie
beste vaarzen zonder gebrek en zonder vlek.... geen zwart haartje zullen ze hebben groote Wot, niet op de
schoften en niet op de borst____Groote Wot, spaar ons
voor de Frisen____”
Maar als hij na die eenzame morgentochten weer de hut was binnengegaan en zijn handen stak in de graanzakken en met uitgespreide vingers graaide door de wulle korrels, dan werd hij weer rustiger, voelde dé korreltjes rul langs zijn handen glijden en hij nam er een handjevol uit en bracht het aan zijn mond en kuste het graan. Dan weer wierp hij de korreltjes zorgvuldig terug in den zak, bond dezen dicht met een heiligen knoop, knoopend tegelijk een zegespreuk sprekend:
Nerthus zal di garen,
Nerthus zal di baren,
en hy, vermoeid van den doorwaakten nacht en de bewogen