187
verlangen om er al aGhter te kunnen loopen. En het met harige koehuid bespannen ossejuk ziende, dat nu nutteloos zou zijn in dit voorjaar, streek hij even de pols langs zjjn oogen. Maar buiten was weer zijn droefenis weg, hij hield zijn pols tegen de zoele bries in, die was beginnen te waaien om te voelen of er al dracht in de lucht zat en hem was het of de wind zachtjes langs den grond streelend, den slapenden geest van Nerthus in den akker opwekte uit zijn winterverdooving.
Maar soms ook, als hij dacht aan de rooftocht, kwam een kille angst in hem op. Het was waar, zij hadden nog niets gehoord van een vervolging en bewijzen waren er niet. Maar koning Tjilbard was rijk en machtig en als hy kwaad wilde, kön hij kwaad! Wat zou hij doen, als ’t honinggraan opwies, een made vol geelgouden aren met halmen neerhangend van zwaarte, vol nieuwe, gouden honing-korrels.... en een Fries zou voorbijkomen en zien het nieuwe graan en de mare konden aan zijn koning?...
Dan voelde Sigbert zijn maag inkrimpen en hij hoestte met dorre kuchen als een, die zieke lopgen heeft. Hjj zag de scharen van de Frisen, de slanke, rijzige, koene kerels, die stormliepen als paarden bij een boschbrand----
Dan schrap zette de zwaar geschouderde boer zich en zijn hand klemde vast om den aakstgreep....
„Bij Grendel, zij zouden de saks van Sigbert niet over den kop loopen; de saks van Sigbert was er ook nog.... laten ze dan maar opkomen, de Frisen.... Batouwers
waren ook hun man weerd.... Hij en Reri en Tjeerd____
Ze moesten niet aan hun akkeis komen.... al waren ze duizend maal Frisen.... Grendeldebliksem.... Batouwers
waren geen kerels, die van vechten hielden----dat was
bekend---- zij hadden vredige harten.... maar van hun
land moesten ze afblijven.... dat wisten de Chauken en de Chamaven en de Ghasuaren en de Bructeren en de Kaninefaten en de Dantubaren.... die allen waren al