117
„Zou di niet durven?” vroeg Tjeerd.
„Als ’t moest zijn!” zeide Reri kort----
„Du zou al di Frisen te schande maken____”
„Wat heb ik daaraan----Als ik nu 't graan van hun
skigge baal, is ’t niet voor Tjilbart____ Kom mee jong,
eerst naar vaêr toe om raad te vragen.”
Hoewel zij hongerden en zich met weinig anders voedden, dan met visch, die zjj in stroobosschen ’s nachts op de Frise waters vingen en rauw .opaten, liepen zij met snelle schreden terug naar de Batouw.
Zij vertelden Sigbert van de ontnuchterende ontvangst bij Koning Tjilbart.
Sigbert wreef een traan uit zijn oog.
„Grien je vaer?” vroeg Reri ontzet.
„Ja jong----ja jong---- als dat waar is----als die
Harimona een hure is geweest, dan is ’t gedaan met de
Batouw.... Dan moeten wij weg____met de saks er op
uit een nieuwe ouw zoeken____En dan begint het moorden
weer____ dan moeten wij anderen menschen vellen... en
vrouwen en kinderen verjagen____ ’t Is bard hoor....
'k Heb nooit graag de saks gezwaaid... Wat is dat voor
bloedgierig werk ?____Achter den ploeg wil ik loopen____
dat ml ik, van den nuchteren morgen tot in den zwarten
schemer. En met dijn moêr wil ik de sikkel slaan----dat
wil ik, naar Batouwschen aard... Dat ’s trouw werk en daar valt zweet bij maar geen bloed.... Grendelde-bliksem... zouwen wij Batouwers van ons land afmoeten! Zouwen wij jong? Dat mooie land, dat je overgrootvaêr heeft gebouwd, en je grootvaêr... je moeders moer en je moer.... Wat zei Tjilbart? Is zij een hure! Wee, dien
hure---- als zij mij bedrogen heeft... Den kop inhakken
met den saks zal ik haar____ die kol, die dop... Gren-
deldebliksem---- d’r witte haren zal ik rood maken !...
Grendeldebliksem hier.... met mijn saksl”
Hy had de saks van den wand genomen en drilde ze