116
tijding had ontvangen en vroeg waarom de Bataaf oude wonden kwam openrijten.
Reri verontschuldigde zich en bood nu zijn schatten aan smeekend om één enkele zak graan.
„Van wien hebt gij al dat moois?” vroeg de koning wantrouwig.
„Van Maresag, den hoogepriester en Harimona, de heilige maagd 1”
„Dus du bent wel uitverkoren geweest, maar mijn dapperen zoon niet....”
„Ik was wachter heer, bij de schattenschuren! En de heilige maagd heeft vader een rijken oogst beloofd. Ik smeek di, geef ons één zak graan en wij zullen di dankbaar zijn en als de goede tijden voor de Batouw aanbreken gedenken, wie onze vriend in den rampspoed is geweest.”
„De heilige maagd Harimona heeft dijn vader een goeden
oogst voorspeld---- En daarop vertrouwt di ?.... Zots-
koppen zijt di.... bij elkaar. Door dijn zotskopperij is ook in ’t Frisenland den roep van de heilige maagd Harimona verbreid en mijn eenigste zoon heb ik daardoor verloren... Als du. weder heilige maagden kent, moogt du di eerst beter vergewissen, want dijne Harimona is een veile deern, een liderlicke hure, die met een Nervischen prins gevlucht is.... De trouwe Melle heeft mi de kond gedaan----”
„Dat liegt di, koning’” zeide Reri verontwaardigd.
„Pak di weg met dijn schatten---- Koning Tjilbart
verlangt geen hurenloon ... Pak di weg... Hurenknecht 1”
Met smaad waren Reri en Tjeerd weggezonden. Zij trokken eerst naar de kust om naar de graanschepen te zien. Daar lagen ze, veertig groote Frise skigge, met breede, hooge boegen en lange masten, waarvan de dunne lederen zeilen niet waren opgerold, maar stijf bevroren, strak uithingen aan de rondhouten.
Reri, tegen een paal geleund, keek lang en aandachtig naar de schepen.