118
in zijn schorschige vuist____ Ontzet zag Reri hoe dun
vaders polsen waren geworden.
„Vaêr,” zei Reri, „er is wel raad ...
„Wat zou hier raad jong?... Zie di niet hoe dijn arme moeder afgeteerd is?... Hoelang vreten wij nu blaremoes? In Dantuba zijn ze allen verrekt van de kou en den
honger----Hoe lang zal ’t hier nog rekken?____Hari, de
bode is hier geweest----Weet di wat hij vertelde?----”
Sigbert kwam dicht bij zijn zoons staan en Reri diep in de oogen ziende met zijn driehoekige groene oogen onder
de schuin neerhangende oogleden----
„Aan de grens hebben Batouwers van den honger elkaar
opgevreten____ Van den hönger----van den honger, van
den hönger, jong!____”
Hij hief zijn saks dreigend op tegen een denkbeeldigen vijand, maar viel toen weer moedeloos neer op een hoop brandhout, zijn oud hoofd gebogen en snikkend hikkend met de borst zonder te weenen.
„Ik weet een middel vaer----”
„Wat zou di weten?____”
„Wij moeten de Frische skigge veroveren____”
„Wat zeg di jong____Batouwers rooven niet----”
„Batouwers vreten ou elkaar op van den honger,” waagde Tjeerd bitter te zeggen.
„Hou dijn mond, du melkmuil...” toomde Sigbert op. „’t Is zoo vaêr... Tjeerd zegt ’t rechte woord ... wij
moeten---- Als ’t nou niet is, moeten wij in ’t voorjaar
er op uit....”
„De Frisen zyn onze bondgenooten----”
„Stikken kunnen ze____ die bondgenooten. Geen zak
graan ruilen ze voor een marterpels, die tien akkers groenland waard is... Als wij de skigge overvallen hebben wij graan zat... en ook om te zaaien in ’t voorjaar... Waar wil di ’t zaaigraan vandaan halen, vaer?... En anders moeten wij weg uit Batouw... Op de schobberdebonk naar een