95
„Daar draagt hij den wondervijver aan!” schertste Harimona, toen ze zag hoe Haun, het blinkende schild hooghoudend om de vrucht van zijn arbeid te toonen, nader kwam.
„En wel mag du di er in spiegelen, wellieve!” zeide Sogol. „Maar weenen moogt di niet, want zoo schoon als du bent, was nooit een koningsdochter!”
„Du bent vol goeden moed, meester.”
„Die kleine muzikant heeft mi de oplossing van ’t
raadsel van ’t brandende drakenbloed gebracht____komt
mee.... ik zal 't di zeggen.”
De grond was nog warm in ’t boschje, dat geheel uitgebrand was. De zeven naakte boomstammen staken met hun verkoolde stampen meewarig op uit den zwartig-grauwe grond, waar nog sintels nagloorden.
Sogol trad voorzichtig naar de kuil, waar de drakenkop uit opstak, nu omhoog gewerkt tot aan den nek, maar witblank doorgegloeid, een geraamtekop. Sogol zag de diepe gaten der oogkassen en de machtige kaak met de platte groote tanden met verwondering aan.
„Hij heeft tanden als een groote bul,” meende Haun.
Weer keek Sogol den jongen met innige erkentelijkheid in de oogen aan.
„Du, schrandere vos, uit di zal wat goeds groeien____
Het zijn werkelijk groote bulletanden” ... zei hij voortgaande tot Harimona... „en deze draak is geen roofdier geweest,
anders zou hij tanden hebben als een beer of een wolf____
Dat zijn de tanden van een goedig vee____die draak heeft
gras gevreten----of vruchten .... maar dan alleen bramen
en appels----want knagen zooals een eekhoorn heeft hij
niet gekund____
Hij liep terzij van de opengespleten gewelfde lijn____
stond stil bij het gat, waar hij de vlammende fakkel had
ingestoken---- het was bruin uitgebrand, met korsten
van een zwartige, vettige, nagloeiende massa. Maar er staken geen beenderen uit____