94
dat ik de keus nog verzware, waar er zoovelen uitverkoren zijn.”
„Spiegel di,” gebood de Koning.
Toen schreed de man nader en boog zich over den vijverrand. Maar hy bleef gebogen wachten en scheen beschaamd om zich weder op te richten.
„Wat ziet di?” vroeg de koning eindelijk ongeduldig.
Nu richtte de tiende man zich langzaam op en de koning zag, dat een traan langs zijn wangen biggelde en in den vijver dropte.
„Sta op!” zeide nu de wijze koning, den tienden man met zijn schepter aanrakend, „du zijt uitverkoren 1”
„Hoe juist!” riep Sogol uit____
„Ik denk dikwijls aan dat sprookje, mijn geliefde. Is die wondervyver niet als het leven der oude tijden, zooals wij
dat onthouden in onze mythen en sagen----wij allen die
er ons in spiegelen, zien onszelf zoo gaarne als waardig om
de navolgers der grooten te zijn____en maar een enkele
beseft zijn eigen nietigheid____”
„Neen____neen____die vijver is het geheele leven____
en wie zich er in spiegelen zijn de menschen.... de menschen, die zich koningen wanen en alléén een heele, enkele wijze weent — want hij weet, dat hij het koningschap dezer wereld onwaardig is---- kom, wellieve, het
vuur sintelt nog maar na----wij zullen gaan onderzoeken,
wat er met den draak gebeurd is____”
„Zij keek hem liefdevol aan en dan, met een zacht droevig, schertsend lachje, zei zij:
„Ja, laten wij gaan.... wellicht dat de oude koning ook di met zyn schepter aanraakt...”
„De oude koning Wod ... hij daar?” spotte Sogol, wijzend in den hooge. „Hoe zou hij? Is al niet lang onttroond? Kom Haun! riep hij wat luider, tot den jongen, die ’t bronzen schild blank had gepoetst met fijn zand en ’t nu met een stuk vossevel opwreef, „wy gaan naar ’t vet van den iever zien I”