82
ze uit, dan gelooft men aan de buitengewone zieners-kracht____ komen ze niet uit, dan vergeet men de voor
spelling of meent bij een slechte waarzegster te zijn geweest. Maar 't zijn alle slechte waarzegsters. Niemand
weet iets van de toekomst----niemand____niemand____
de góden zelve niet.... zij zijn ook aan het lot onderworpen, zonder dat zij weten, hoe het zal loopen.... en het zal een slecht lot voor ze zijn, als de koningszoon, werkelijk koning wordt.”
Sogol had de laatste zinnen meer tot zichzelf dan tot Haun gezegd, die teleurgesteld naar den haas bleef zien.
Harimona, na den haas gestroopt te hebben en van de ingewanden ontdaan, stak hem aan een bronzen spits, dat op twee gevorkte takken rustte en nu moest Haun langzaam draaien.
Sogol, zijn ongeduld niet kunnende bedwingen, was al weder naar den kop van den draak geloopen en begon deze verder met zijn zwaard te ontgraven. Maar bemerkend, hoe weinig hij hierdoor bereikte, liep hij een eindje ’t bosch in zoekend naar een boom, geschikt om er spaden van te snijden. Een zwarte stronk, die manshoog boven den grond uitstak, zeker ’t overblijfsel van een boom, die door den bliksem getroffen was en daardoor van buiten bruin gebrand, kwam hem geschikt voor en hij sloeg er zijn zwaard tegen. Maar ’t zwaard ging er diep in en stuitte toen op iets hards. Sogol keek verwonderd en nu, de stronk belastend, ervoer hij, dat hier weder het lijk van een draak was verborgen, nu met den staart opwaarts uit het hol. Hij zag de grove schubben van den staart, hoewel ’t vleesch verkoold was en ook nog de knoesten van de dorens van den rug....
Daar waren dus twee draken in dit boschje geweest. Beiden wellicht door den bliksem getroffen. Maar hoe deze
vreemde houding te verklaren____ de één met den kop
hoogopgestoken uit de krocht, de andere met den