75
Zij reden langen tijd zwijgend voort, Sogol zjjn hoofd neerwaarts gebogen en zyn gefronste oogen naar den bodem gericht. Eindelijk zeide hy:
„Dat kan het zijn, mijn lief. De góden weten zelve niet,
dat zij góden zyn____zooals dit paard onder mij, dat sterk
is, daden van kracht doet en toch zijn eigen kracht niet kent... Wat zijn de góden dan?... Redelooze krachten, die hun daden doen zonder de macht over die daden...." „Maar het paard heeft een berijder, die het stuurtr
meester____ Zoo heerscht dan Wotan over de góden als
de mensch over de dieren____”
„Ik zou di kussen kunnen als du zoo spreekt, en toch weenen omdat du altoos weer tot Wotan dyn gedachte voert.... Maar Wotan k&n niet bestaan.... zoomin als
Donar bestaat____zoomin als de kleinere geesten____”
„Welke macht doet de zon dé£r schijnen?” vroeg Harimona.
En haar aanblikkend, zag hij uit haar roode oogen een straal gouden licht schijnen.
„Wie doet, die wolk daar schuiven? En die daar? En die daar? Staat achter elke wolk een geest, die haar voortschuift? Of zit op elke wolk een ruiter, zooals op het paard, en stuurt haar en leidt haar met bit en teugel en spoor? Ziet ze ijlen en barsten en vluchten in hare
vreemde gestalten----Voelt du niet, dat het de wind is,
die ze wegblaast, zooals het kind de kaarsjes wegblaast van de weidebloem____ Ik kan nog niet alles
weten.... maar omdat ik iets weet, weet ik dat ik méér
zal kunnen weten---- Het zyn alles krachten, redelooze
krachten, die niet anders doen dan ze doen omdat ze niet anders kunnen .... De zon, de maan, de sterren, de bliksem, de donder, de wolken.... zy allen zyn redeloos en doen
zooals ze moeten doen----”
„En wy dan?”
„Wy vrouw____wij .... wy zyn ook al niet anders dan