74
woede en Harimona, hem zoo ziende, voelde zich bevreesd terwijl Haun weende.
Het onweer verminderde in kracht en trok weldra voorbij. De blauwgrijze hemel brak in wolkenbrokken en uit het diepblauw daartusschen kwam de zon schijnen.
Sogol werd kalmer en nu omziende voor Harimona zeide hij trotsch:
„Hebt di het nu gezien, dat ook de groote góden niet bestaan ? Waar was Donar met zijn gouden speren ? Waar
was zijn rollenden donderwagen?---- Hebt du geweend
knaap?...”
„Ik vreesde zoo, dat de speer di zou treffen,” antwoordde Haun.
„Du zult niet weenen als dijn meester de góden uitdaagt .... maar du zult weenen, als de anderen zich voor
de góden verdeemoedigen____Onthoud dat knaap.... en
bindt de kluisters los van de paarden.”
Zy stegen op en reden door de frissche lucht onwaaierd, stapvoets verder.
„Waarom zegt di niets?” vroeg Sogol, bemerkend hoe zijn geliefde zwijgend naast hem reed en geen woord van bewondering had voor zijn moedig bestaan.
Zij keek hem van terzijde aan en hij zag een schroom-vollen eerbied in haar vreemde, roode oogen.
„Ik heb een zonderlinge gedachte, Sogol!”
„Gelooft di nog aan Donar?” vroeg hij haast angstig.
„Neen.... maar mi kwam de gedachte in ’t hoofd, dat du wellicht zelf een god zijt....”
„Ik ben een mensch, een gewoon mensch.... zooals du, zooals Haun____Of meent du nog, dat du ook een godin zijt ?*'
„Neen... ik ben geen godin... maar du zijt een god...
en du weet het zelf niet____En misschien weten de andere
góden evenmin, dat zij góden zijn....”
„Vrouw, du zegt zulke diepe gedachten, dat du zelve ze niet omvat....”