71
dat vuur? En wat is achter die sterren?... En hoevelen, hoevelen zyn er niet.... Daar.... die heele breede zoom van einder tot einder.... en- daar die met dat scherpe blauwe licht.... en daar die, die flakkert als een toorts... en daar die, in een orde geschaard als een saks ?....”
„Als de zon opgaat dooven de sterren en als de zon ondergaat, vlammen ze weer op.... Wie steekt ze aan Sogol?... Moet daar geen groote macht zijn, die ze aansteekt, avond na avond en ze weer dooft, morgen na morgen ?”
Sogol peinsde en keek in ’t vuur. Eindelijk antwoordde hij: „De maan, gaat die ook ’s avonds aan en dooft die ook 's morgens uit, Harimona?”
„Niet altyd, meester.”
„Neen, niet waar. Er zijn dagen waarop de maan heel vroeg opgaat, als de zon nog schijnt.... Zy is dan heel bleek, zoo wit als zilver en hoe later het wordt, des te rooder wordt zij. Dat is toch zoo, niet waar?”
„Ja, mijn meester.”
Hy sprong op, liep op haar toe, omhelsde haar, kustte haar op ’t witte haar, op de wangen, op de hals op den mond. En juichend weer sprong hij recht, roepend.... „ik heb het gevonden, ik heb het gevonden.... ik zal alles, alles vinden____”
En zich weer neerzettend bij 't vuur, wilde hy opnieuw spreken, maar de vreugde overweldigde hem opnieuw.... Hy sprong nogmaals op, hief zijn handen omhoog naar den sterrenhemel, bolde de vuisten en naar boven roepend:
„Ik heb het gevonden.... o zaligheid.... o geluk....
ik heb het gevonden----ik heb het gevonden ....”
Zij keek hem bewonderend maar niet zonder angst aan, gespannen wachtend op zijn verklaring.
„En alles, alles, alles zal ik ontdekken! Wacht du daar, wacht.... ik zal dijn geheim doorvorschen.... Wacht du daar, wacht du!”