72
En hij balde dreigend de vuist tegen den hemel. Daarna zich weer neerzettend, ging hij voort:
„De sterren zijn niet anders dan de maan. De maan is een groote ster, veel grooter dan de anderen, maar er is geen ander verschil.
Wat met de maan gebeurt, gebeurt met de sterren. Maar omdat ze zoo klein zijn, kunnen wij het niet zien----”
„Maar wat gebeurt dan met de maan ?” vroeg Harimona. „Zij wordt ’s avonds niet ontstoken en ’s morgens niet
gedoofd. Zij brandt altoos----altoos, altoos----Zij staat
ook aan den hemel als wij haar niet zien____Geeft een
toorts licht op den noen ? Neen, niet waar ? Maar naarmate het donkerder is, geeft de toorts meer licht. Zoo is het
met de maan en zoo is het met de sterren____zij hebben
maar een zwak licht, zooals de toorts, dat men beter zien kan, naarmate het donkerder wordt.... Vandaar dat de maan op sommige avonden eerst bleek is gelijk zilver en hoe donkerder het wordt, des te heller schijnt haar vuur. In
den morgen wordt zij weer bleeker----tot zij onzichtbaar
wordt... het licht van de zon maakt haar onzichtbaar...” „En wie steekt de zon aan?” vroeg Harimona.
„Wat wijf? Ik doe di kond van een groote ontdekking en in stede van mede te juichen blijft du vragen ? Is het al niet veel te weten, dat de maan en de sterren daags branden zoogoed als ’s nachts?”
„Het is veel, maar de raadselen blijven raadselen, meester.” „Neen, ze blijven het niet, vrouw. Raadselen waren de kobolden en de elfen, tot ik ontdekte, wat hun eigenlijk wezen was. Raadsel was het schijnen der sterren en der maan alléén ’s nachts, totdat ik vond, dat zij ook overdag schijnen. Laat mij denken en ik zal ook vinden waar hun oorsprong was en waar de oorsprong dier oorsprong aanving. Maar ik moet tijd hebben om te denken. En du, geliefde, wees niet laf, als al die anderen maar durf óók door te