65
één dikke, rollende, dampende, worstelende kluwen. Menschen en dieren beten zich aan elkaar vast en zogen het stroo-, mende bloed op en kauwden op ’t krimpende vleesch, zoo uit het levende lichaam gebeten. En tusschen het krijten en gieren van de menschen en het janken van de wolven was geen onderscheid.. . Eén wolf werd een eind omhoog geworpen en smakte neer met gebroken pooten. Dadelijk vielen vier, vijf menschen op ’t gekneusde dier aan. Een greep den strot en worgde den wolf, terwijl de anderen al de tanden zetten in de pooten en met rukken van den nek, het harige vel afscheurden vaD ’t nog levende dier. En een man, die zijn tanden had gezet in den achterpoot en ’t bloed opzoog werd door een anderen wolf in ’t eigen been gepakt en nu, zich met een gil krimpend oprichtend en zich achterwaarts buigend, sprong een tweede wolf hem naar de keel en beet hem den strot door en bleef met zijn tanden in zijn keel hangend het bloed opslurpen uit ’t lichaam, terwijl de man zijn vingers, gekromd in doodsangst, haakte in de oogen van ’t dier.
Zoo bleven de wolven en de menschen in een bloederige dichte hoop wentelen en kruipen op de vaalzwarte plek in de smeltende sneeuwkorst, die aan de randen roodaderde van wegstroomend bloed, tot de wolven verzadigd grommend wegslopen en bloederige, kreunende gestalten zich losmaakten uit den hoop, zich wegsleurden, een zwart spoor met roode strepen achter zich latend.
Toen de wolven weg waren zag de grijsaard, gesterkt door ’t opgedronken lauwwarme wolvenbloed, uit het hol de lijken naar buiten duwen en de naakte kerels met de witte knevels en geelwitte baarden en lange witte haren
kwamen voorzichtig en gebukt nader____zij slopen naar
de grauwwitte plek waar de krengen der opengescheurde wolven en de bloederige stukken der menschelijken lagen en grijnzend met bun lange tanden, hurkten ze neer en
begonnen hun maal te doen---- de stukken menschen-
GEKMANIA II.
5