64
De maagden gilden en de wolven ziende naderen vlucht-zij ook naar een ander hol.
De zwakken, die niet meer weg konden schoolden saam, hopend zoo de wolven nog te kunnen weerstaan. Het was een troep van twintig uitgehongerde dieren, die van zeer verre kwamen, aangelokt door den reuk van menschen-vleesch. Zoo verhongerd waren ze, dat onder de oogen van de Dantubaren, die ze ongewapend moesten afwachten er telkens achterbleven, op den rug rolden en de pooten in de hoogte stekend, dood bleven liggen van uitputting. De voorste wolf bereikte met een sprong den grijsaard maar deze bukte achter den heiligen steen en de wolf over hem heen springend viel neer en kon zich uit zwakte niet meer oprichten. Twee anderen wolven sprongen den voorsten wolf na. Telkenmale bukte zich de grijsaard en nu wierpen de twee wolven zich op den zieltogenden éérsten wolf en reten diens strot met de muilen open en begonnen aan ’t trekkende vleesch te eten. Het bloed sijpelde helderrood op de blauwgrijze sneeuw. De grijsaard nam een nog smeulenden tak en stak die naar de twee wolven uit, die de bebloede muilen oprichtend met vurige oogen naar den tak zagen maar de dwalmende rook opsnuivend deinsden zij terug en een kleinen jongen ziende, die bevroren voeten had gehad en daardoor zich slechts langzaam op de billen weg kon wippen, sprongen zij op den knaap toe en- begonnen hem te verscheuren.
De grijsaard nu zich bukkend, den smeulende tak vooruithoudend, wilde de beide dieren ook daar verjagen maar ziende, dat de knaap al zieltoogde, werd hem de lust te sterk en hij wierp zich op 't half verscheurde, warme kreng van den eersten wolf en zijn tandelooze mond brengend aan de buikholte, begon hij gierig het warme bloed uit het dampende lichaam op te zuigen.
De andere wolven hadden zich midden in de hoop der menschen geworpen. En nu waren menschen en wolven